Verordening Microscoop Analyse Selector
keyboard_arrow_left
close
keyboard_arrow_left
close

Verordening

Inzake ongewenste stoffen in diervoeding

02002L0032 — NL — 28.11.2019 — 022.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

RICHTLIJN 2002/32/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 7 mei 2002

inzake ongewenste stoffen in diervoeding

(PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

 M1

RICHTLIJN 2003/57/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 17 juni 2003

  L 151

38

19.6.2003

 M2

RICHTLIJN 2003/100/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 31 oktober 2003

  L 285

33

1.11.2003

 M3

RICHTLIJN 2005/8/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 27 januari 2005

  L 27

44

29.1.2005

 M4

RICHTLIJN 2005/86/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 5 december 2005

  L 318

16

6.12.2005

 M5

RICHTLIJN 2005/87/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 5 december 2005

  L 318

19

6.12.2005

 M6

RICHTLIJN 2006/13/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 3 februari 2006

  L 32

44

4.2.2006

 M7

RICHTLIJN 2006/77/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 29 september 2006

  L 271

53

30.9.2006

 M8

RICHTLIJN 2008/76/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 25 juli 2008

  L 198

37

26.7.2008

 M9

RICHTLIJN 2009/8/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 10 februari 2009

  L 40

19

11.2.2009

►M10

VERORDENING (EG) Nr. 219/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 maart 2009

  L 87

109

31.3.2009

 M11

RICHTLIJN 2009/124/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 25 september 2009

  L 254

100

26.9.2009

 M12

RICHTLIJN 2009/141/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 23 november 2009

  L 308

20

24.11.2009

 M13

RICHTLIJN 2010/6/EU VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 9 februari 2010

  L 37

29

10.2.2010

►M14

VERORDENING (EU) Nr. 574/2011 VAN DE COMMISSIE van 16 juni 2011

  L 159

7

17.6.2011

►M15

VERORDENING (EU) Nr. 277/2012 VAN DE COMMISSIE van 28 maart 2012

  L 91

1

29.3.2012

►M16

VERORDENING (EU) Nr. 744/2012 VAN DE COMMISSIE van 16 augustus 2012

  L 219

5

17.8.2012

►M17

VERORDENING (EU) Nr. 107/2013 VAN DE COMMISSIE van 5 februari 2013

  L 35

1

6.2.2013

►M18

VERORDENING (EU) Nr. 1275/2013 VAN DE COMMISSIE van 6 december 2013

  L 328

86

7.12.2013

►M19

VERORDENING (EU) 2015/186 VAN DE COMMISSIE van 6 februari 2015

  L 31

11

7.2.2015

►M20

VERORDENING (EU) 2017/2229 VAN DE COMMISSIE van 4 december 2017

  L 319

6

5.12.2017

►M21

VERORDENING (EU) 2019/1243 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 20 juni 2019

  L 198

241

25.7.2019

►M22

VERORDENING (EU) 2019/1869 VAN DE COMMISSIE van 7 november 2019

  L 289

32

8.11.2019


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 206, 2.8.2012, blz.  24 (277/2012)




▼B

RICHTLIJN 2002/32/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 7 mei 2002

inzake ongewenste stoffen in diervoeding



Artikel 1

1.  Deze richtlijn heeft betrekking op ongewenste stoffen in producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren.

2.  Deze richtlijn geldt onverminderd de voorschriften in:

a) Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding ( 1 );

b) Richtlijn 96/25/EG en Richtlijn 79/373/EEG van de Raad van 2 april 1979 betreffende de handel in mengvoeders ( 2 );

c) Richtlijn 76/895/EEG van de Raad van 23 november 1976 betreffende de vaststelling van de maximale hoeveelheden residuen van bestrijdingsmiddelen in en op groenten en fruit ( 3 ), Richtlijn 86/362/EEG van de Raad van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op granen ( 4 ), Richtlijn 86/363/EEG van de Raad van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op levensmiddelen van dierlijke oorsprong ( 5 ) en Richtlijn 90/642/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit ( 6 ), wanneer deze residuen niet voorkomen op de lijst in bijlage I bij deze richtlijn;

d) communautaire wetgeving betreffende veterinaire kwesties die verband houden met de volksgezondheid en diergezondheid;

e) Richtlijn 82/471/EEG van de Raad van 30 juni 1982 betreffende bepaalde in diervoeding gebruikte producten ( 7 );

f) Richtlijn 93/74/EEG van de Raad van 13 september 1993 betreffende diervoeders met bijzonder voedingsdoel ( 8 ).

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) diervoeders: producten van plantaardige of dierlijke oorsprong in natuurlijke staat, vers of verduurzaamd, en de afgeleide producten van de industriële verwerking ervan, alsmede organische of anorganische stoffen, al dan niet gemengd, met of zonder toevoegingsmiddelen, en bestemd voor vervoedering;

b) voedermiddelen: de verschillende producten van plantaardige of dierlijke oorsprong in natuurlijke staat, vers of verduurzaamd, en de afgeleide producten van de industriële verwerking ervan, alsmede organische of anorganische stoffen, met of zonder toevoegingsmiddelen, en bestemd voor vervoedering, hetzij als zodanig, hetzij na verwerking, voor de bereiding van mengvoeders of als drager bij voormengsels;

c) toevoegingsmiddelen: toevoegingsmiddelen zoals omschreven in artikel 2, onder a), van Richtlijn 70/524/EEG;

d) voormengsels: mengsels van toevoegingsmiddelen of mengsels van een of meer toevoegingsmiddelen met stoffen die dragers vormen, die bestemd zijn voor de bereiding van diervoeders;

e) mengvoeders: mengsels van voedermiddelen, al dan niet met toevoegingsmiddelen en bestemd voor vervoedering in de vorm van volledige diervoeders of aanvullende diervoeders;

f) aanvullende diervoeders: mengsels van diervoeders die een hoog gehalte aan bepaalde stoffen bevatten en door hun samenstelling slechts samen met andere diervoeders een totaal dagrantsoen vormen;

g) volledige diervoeders: mengsels van diervoeders die door hun samenstelling op zichzelf een totaal dagrantsoen vormen;

h) producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren: voedermiddelen, voormengsels, toevoegingsmiddelen, diervoeders en alle andere producten die bedoeld zijn om te worden gebruikt of gebruikt worden voor het voederen van dieren;

i) dagrantsoen: de totale hoeveelheid diervoeders, omgerekend op een vochtgehalte van 12 %, die een dier van een bepaalde soort, leeftijdsklasse en prestatievermogen gemiddeld dagelijks nodig heeft om volledig in zijn voederbehoefte te voorzien;

j) dieren: dieren behorend tot de soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoederd en gehouden of gegeten, alsmede in de vrije natuur levende dieren voorzover hun voeding deels uit diervoeders bestaat;

k) in het verkeer brengen of het verkeer: het in het bezit hebben van producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren, met het oog op de verkoop, met inbegrip van het aanbieden, of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht aan derden, alsmede de verkoop en andere vormen van overdracht zelf;

l) ongewenste stoffen: alle stoffen en producten, met uitzondering van ziekteverwekkers, die aanwezig zijn in en/of op het product dat is bedoeld voor het voederen van dieren en die een potentieel gevaar opleveren voor de gezondheid van mens en dier of voor het milieu of die de dierlijke productie ongunstig kunnen beïnvloeden.

Artikel 3

1.  Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren mogen alleen voor gebruik in de Gemeenschap uit derde landen binnenkomen, in de Gemeenschap in het verkeer worden gebracht en/of worden gebruikt wanneer ze zuiver, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit zijn en bij correct gebruik dus geen enkel gevaar opleveren voor de gezondheid van mens en dier of voor het milieu en de dierlijke productie niet ongunstig kunnen beïnvloeden.

2.  Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren worden met name geacht niet aan lid 1 te voldoen wanneer het gehalte aan ongewenste stoffen hoger is dan de in bijlage I vastgestelde maximumgehalten.

Artikel 4

1.  De lidstaten schrijven voor dat de aanwezigheid van de in bijlage I vermelde ongewenste stoffen in producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren, alleen onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden kan worden gedoogd.

2.  Teneinde de bronnen van ongewenste stoffen in producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren te beperken of weg te nemen, verrichten de lidstaten, wanneer de maximumgehalten zijn overschreden of wanneer verhoogde gehalten van dergelijke stoffen zijn geconstateerd, in samenwerking met de marktdeelnemers onderzoek om de bronnen van ongewenste stoffen te identificeren, daarbij rekening houdend met de achtergrondniveaus. Met het oog op een uniforme aanpak in gevallen van verhoogde gehalten kan het nodig zijn actiedrempels vast te stellen bij overschrijding waarvan een dergelijke onderzoek wordt ingesteld. Deze actiedrempels kunnen worden vastgesteld in bijlage II.

De lidstaten doen de Commissie en de overige lidstaten alle nuttige informatie en bevindingen toekomen met betrekking tot de bron en stellen hen in kennis van de maatregelen die zijn getroffen om het gehalte aan ongewenste stoffen te beperken of deze weg te nemen. Deze informatie wordt toegezonden in het kader van het verslag dat jaarlijks aan de Commissie moet worden voorgelegd overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 95/53/EG, behalve wanneer de informatie voor de andere lidstaten van onmiddellijk belang is. In dit laatste geval dient de informatie onverwijld te worden toegezonden.

Artikel 5

De lidstaten schrijven voor dat producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren, met een gehalte aan een ongewenste stof dat het in kolom 3 van de tabel in bijlage 1 vastgestelde maximumgehalte overschrijdt, niet met het oog op verdunning mogen worden vermengd met hetzelfde product of met andere producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren.

Artikel 6

De lidstaten schrijven voor dat in aanvullende diervoeders, voorzover daarvoor geen bijzondere bepalingen bestaan, het gehalte aan de in bijlage I genoemde stoffen, rekening houdend met het voor het gebruik ervan voorgeschreven aandeel in een dagrantsoen, niet hoger mag zijn dan het voor volledige diervoeders vastgestelde gehalte.

Artikel 7

1.  Als een lidstaat, op basis van nieuwe gegevens die na de vaststelling van de desbetreffende bepalingen beschikbaar zijn gekomen, of van een nieuwe beoordeling van de bestaande gegevens die na die vaststelling is uitgevoerd, redenen heeft om te concluderen dat een in bijlage I vastgesteld maximumgehalte of een niet in die bijlage genoemde ongewenste stof gevaar oplevert voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, kan deze lidstaat dit gehalte voorlopig verlagen, een maximumgehalte vaststellen of de aanwezigheid van deze ongewenste stof in producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren verbieden. Hij stelt de overige lidstaten en de Commissie daarvan onmiddellijk op de hoogte, met opgave van de redenen voor zijn beslissing.

▼M21

2.  Er wordt onverwijld besloten of de bijlagen I en II moeten worden gewijzigd. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van die bijlagen.

Indien dit in geval van die wijzigingen om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 10 ter neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

De lidstaat mag de door hem ingevoerde maatregelen handhaven zolang de Commissie geen besluit heeft genomen.

▼B

De lidstaat dient ervoor te zorgen dat deze beslissing openbaar wordt gemaakt.

Artikel 8

▼M21

1.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen I en II teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen.

Indien dit in geval van deze wijzigingen om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 10 ter neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

▼M10

2.  De Commissie:

 neemt periodiek geconsolideerde versies van de bijlagen I en II aan waarin de wijzigingen zijn verwerkt die overeenkomstig lid 1 en volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure zijn vastgesteld,

▼M21

 is bevoegd om overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn door het definiëren van criteria voor de aanvaardbaarheid van zuiveringsprocedés als aanvulling op de criteria voor producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren en dergelijke procedés hebben ondergaan.

▼B

3.  De lidstaten zien erop toe dat de nodige maatregelen worden getroffen om te garanderen dat die aanvaardbare procédés correct worden toegepast en gezuiverde producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren voldoen aan de bepalingen van bijlage I.

Artikel 9

De lidstaten zien erop toe dat met betrekking tot het in het verkeer brengen van producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren en aan deze richtlijn voldoen, geen andere beperkingen worden opgelegd in verband met de aanwezigheid van ongewenste stoffen dan die van deze richtlijn en die van Richtlijn 95/53/EG.

Artikel 10

Bepalingen die gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid en de diergezondheid worden aangenomen na raadpleging van het (de) betrokken wetenschappelijke comité(s).

▼M21

Artikel 10 bis

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 7, lid 2, en artikel 8, leden 1 en 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 26 juli 2019. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 2, en artikel 8, leden 1 en 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ( 9 ).

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 7, lid 2, en artikel 8, leden 1 en 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Deze termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 10 ter

1.  Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.

2.  Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 10 bis, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

▼M10

Artikel 11

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 1 van Besluit 70/372/EEG van de Raad ( 10 ) ingestelde Permanent Comité voor veevoeders.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

▼M21 —————

▼M10 —————

▼B

Artikel 13

1.  Op producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren en die in de Gemeenschap geproduceerd zijn om uitgevoerd te worden naar derde landen, passen de lidstaten ten minste de bepalingen van deze richtlijn toe.

2.  Lid 1 laat het recht van de lidstaten onverlet om wederuitvoer volgens de voorwaarden van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 178/2002 ( 11 ) toe te staan. Het bepaalde in artikel 20 daarvan is mutatis mutandis van toepassing.

Artikel 14

1.  Richtlijn 1999/29/EG wordt met ingang van 1 augustus 2003 ingetrokken, onverminderd de voor de lidstaten geldende verplichting met betrekking tot de in deel B van bijlage III bij de genoemde richtlijn vermelde termijnen voor de omzetting van de in deel A van die bijlage vermelde richtlijnen in nationaal recht.

2.  Verwijzingen naar Richtlijn 1999/29/EG gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 15

De lidstaten dragen zorg voor aanneming en bekendmaking van de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om vóór 1 mei 2003 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De aangenomen maatregelen zijn van toepassing vanaf 1 augustus 2003.

Wanneer de lidstaten die maatregelen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

De lidstaten delen de Commissie de tekst mee van de bepalingen van nationaal recht die zij vaststellen binnen de werkingssfeer van deze richtlijn.

Artikel 16

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 17

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

▼M14




BIJLAGE I

MAXIMUMGEHALTEN VAN ONGEWENSTE STOFFEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 2



AFDELING I:  ANORGANISCHE VERONTREINIGENDE STOFFEN EN STIKSTOFVERBINDINGEN

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

▼M22

1.  Arseen (1)

Voedermiddelen

2

 

met uitzondering van:

—  gemalen grasmeel, luzernemeel en klavermeel alsmede al dan niet gemelasseerde gedroogde suikerbietenpulp;

4

 

—  palmpitschilfers;

(2)

 

—  turf; leonardiet;

(2)

 

—  fosfaten, koolzure algenkalk;

10

 

—  calciumcarbonaat; koolzure magnesiavoederkalk (calciummagnesiumcarbonaat) (10); koolzure zeeschelpen;

15

 

—  magnesiumoxide; magnesiumcarbonaat;

20

 

—  vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten;

25 (2)

 

—  gemalen gedroogd zeewier en voedermiddelen op basis van zeewier.

40 (2)

 

Als tracer gebruikte ijzerpartikels.

50

 

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

30

 

met uitzondering van:

—  koper(II)sulfaat-pentahydraat; koper(II)carbonaat; dikoperchloridetrihydroxide; ijzer(II)carbonaat; dimangaanchloridetrihydroxide

50

 

—  zinkoxide; mangaanoxide; koperoxide.

100

 

Aanvullende diervoeders

4

 

met uitzondering van:

—  minerale diervoeders;

12

 

—  aanvullende diervoeders voor gezelschapsdieren die vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten en/of gemalen gedroogd zeewier en van zeewier afgeleide voedermiddelen bevatten;

10 (2)

 

—  formuleringen met langdurige afgifte voor diervoeders met bijzonder voedingsdoel en een concentratie sporenelementen die meer dan honderd keer hoger is dan het vastgestelde maximumgehalte voor volledige diervoeders.

30

 

Volledige diervoeders

2

 

met uitzondering van:

—  volledige diervoeders voor vis en pelsdieren;

10 (2)

 

—  volledige diervoeders voor gezelschapsdieren die vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten en/of gemalen gedroogd zeewier en van zeewier afgeleide voedermiddelen bevatten.

10 (2)

▼M18

2.  Cadmium

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong

1

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong

2

Voedermiddelen van minerale oorsprong

2

met uitzondering van:

 

—  fosfaten.

10

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

10

met uitzondering van:

 

—  koper(II)oxide, mangaan(II)oxide, zinkoxide en mangaan(II)sulfaat-monohydraat.

30

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

2

Voormengsels (6)

15

Aanvullende diervoeders

0,5

met uitzondering van:

 

—  minerale diervoeders

 

– –  bevattende < 7 % fosfor (8)

5

– –  bevattende ≥ 7 % fosfor (8)

0,75 per 1 % fosfor (8), met een maximum van 7,5

—  aanvullende diervoeders voor gezelschapsdieren.

2

—  formuleringen met langdurige afgifte voor diervoeders met bijzonder voedingsdoel en een concentratie sporenelementen die meer dan honderd keer hoger is dan het vastgestelde maximumgehalte voor volledige diervoeders;

15

Volledige diervoeders

0,5

met uitzondering van:

 

—  volledige diervoeders voor runderen (met uitzondering van kalveren), schapen (met uitzondering van lammeren), geiten (met uitzondering van geitenlammeren) en vis;

1

—  volledige diervoeders voor gezelschapsdieren.

2

▼M19

3.  Fluor (7)

Voedermiddelen

met uitzondering van:

150

—  voedermiddelen van dierlijke oorsprong met uitzondering van zeewaterschaaldieren zoals krill; koolzure zeeschelpen;

500

—  zeewaterschaaldieren zoals krill;

3 000

—  fosfaten;

2 000

—  calciumcarbonaat; koolzure magnesiavoederkalk (calciummagnesiumcarbonaat) (10);

350

—  magnesiumoxide;

600

—  koolzure algenkalk.

►M22  1 250  ◄

Vermiculiet (E 561)

3 000

Aanvullende diervoeders:

 

—  bevattende ≤ 4 % fosfor (8);

500

—  bevattende > 4 % fosfor (8).

125 per 1 % åfosfor (8)

Volledige diervoeders

met uitzondering van:

150

—  volledige diervoeders voor varkens;

100

—  volledige diervoeders voor pluimvee (met uitzondering van kuikens) en vis;

350

—  volledige diervoeders voor kuikens;

250

—  volledige diervoeders voor runderen, schapen en geiten

 

– –  die zogen;

30

– –  andere.

50

▼M22

4.  Lood (12)

Voedermiddelen

10

 

met uitzondering van:

—  groenvoeder (3);

30

 

—  fosfaten, koolzure algenkalk en koolzure zeeschelpen;

15

 

—  calciumcarbonaat; koolzure magnesiavoederkalk (calciummagnesiumcarbonaat) (10);

20

 

—  gist.

5

 

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

100

 

met uitzondering van:

—  zinkoxide;

400

 

—  mangaan(II)oxide, ijzer(II)carbonaat, koper(II)carbonaat, koper(I)oxide.

200

 

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

30

 

met uitzondering van:

—  clinoptiloliet van vulkanische oorsprong; natroliet-fonoliet.

60

 

Voormengsels (6)

200

 

Aanvullende diervoeders

10

 

met uitzondering van:

—  minerale diervoeders;

15

 

—  formuleringen met langdurige afgifte voor diervoeders met bijzonder voedingsdoel en een concentratie sporenelementen die meer dan honderd keer hoger is dan het vastgestelde maximumgehalte voor volledige diervoeders.

60

 

Volledige diervoeders

5

5.  Kwik (4)

Voedermiddelen

0,1

 

met uitzondering van:

—  vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten die bestemd zijn voor de productie van mengvoeders voor voedselproducerende dieren;

0,5

 

—  vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten die bestemd zijn voor de productie van mengvoeders voor honden, katten, siervissen en pelsdieren;

1,0 (13)

 

—  vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten die bestemd zijn voor de productie van brijvoer in blik voor de rechtstreekse voeding van honden en katten;

0,3

 

—  calciumcarbonaat; koolzure magnesiavoederkalk (calciummagnesiumcarbonaat) (10).

0,3

 

Mengvoeders

0,1

 

met uitzondering van:

—  minerale diervoeders;

0,2

 

—  mengvoeders voor vis;

0,2

 

—  mengvoeders voor honden, katten, siervissen en pelsdieren.

0,3

▼M18

6.  Nitriet (5)

Voedermiddelen

15

met uitzondering van:

 

—  vismeel;

30

—  kuilvoeder;

—  producten en bijproducten van suikerbiet en suikerriet en van de productie van zetmeel en alcoholische dranken.

Volledige diervoeders

15

met uitzondering van:

 

—  volledige diervoeders voor honden en katten met een vochtgehalte van meer dan 20 %.

▼M20

7.  Melamine (9)

Diervoeders

met uitzondering van:

2,5

—  blikvoeder voor gezelschapsdieren;

2,5  (11)

—  de volgende toevoegingsmiddelen voor diervoeding:

 

—  guanidinoazijnzuur (GAA);

20

—  ureum;

—  biureet.

▼M14

(1)   De maximumgehalten betreffen het totale gehalte aan arseen.

(2)   Op verzoek van de bevoegde autoriteiten moet de verantwoordelijke exploitant een analyse verrichten om aan te tonen dat het gehalte aan anorganisch arseen lager is dan 2 ppm. Deze analyse is van bijzonder belang voor de zeewiersoort Hizikia fusiforme.

(3)   Groenvoeder omvat producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren zoals hooi, kuilvoer, vers gras, enz.

(4)   De maximumgehalten betreffen het totale gehalte aan kwik.

(5)   De maximumgehalten worden uitgedrukt als natriumnitriet.

(6)   Het maximumgehalte voor voormengsels houdt rekening met de toevoegingsmiddelen met het hoogste gehalte aan lood en cadmium en niet met de gevoeligheid van de verschillende diersoorten voor lood en cadmium. Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29) moet de producent van voormengsels er ter bescherming van de gezondheid van mens en dier voor zorgen dat niet alleen wordt voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de maximumgehalten voor voormengsels, maar dat de gebruiksaanwijzingen op het voormengsel ook in overeenstemming zijn met de voorschriften inzake de maximumgehalten voor aanvullende en volledige diervoeders.

(7)   De maximumgehalten hebben betrekking op een analytische bepaling van fluor, waarbij de extractie gedurende 20 minuten op omgevingstemperatuur met zoutzuur 1 N wordt uitgevoerd. Er kunnen gelijkwaardige extractieprocedures worden toegepast waarvoor kan worden aangetoond dat de gebruikte extractieprocedure een gelijke extractie-efficiëntie heeft.

(8)   Het % fosfor heeft betrekking op diervoeders met een vochtgehalte van 12 %.

(9)   Het maximumgehalte betreft alleen melamine. De opname van de structureel verwante verbindingen cyanuurzuur, ammeline en ammelide in het maximumgehalte zal later worden bekeken.

(10)   Met „koolzure magnesiavoederkalk” of „calciummagnesiumcarbonaat” wordt bedoeld het natuurlijke mengsel van calciumcarbonaat en magnesiumcarbonaat zoals beschreven in Verordening (EU) nr. 575/2011 van de Commissie van 16 juni 2011 betreffende de Catalogus van voedermiddelen (PB L 159 van 17.6.2011, blz. 25).

(11)   Het maximumgehalte geldt voor blikvoeder voor gezelschapsdieren in de vorm waarin dit wordt verkocht.

(12)   Voor de bepaling van lood in kaoliniethoudende klei en in diervoeders die kaoliniethoudende klei bevatten, hebben de maximumgehalten betrekking op een analytische bepaling van lood, waarbij de extractie gedurende 30 minuten op kooktemperatuur in salpeterzuur (5 % m/m) wordt uitgevoerd. Er kunnen gelijkwaardige extractieprocedures worden toegepast, waarvoor kan worden aangetoond dat de gebruikte extractieprocedure een gelijke extractie-efficiëntie heeft.

(13)    ►M20  Het maximumgehalte geldt op basis van vers gewicht. ◄



AFDELING II:  MYCOTOXINEN

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.  Aflatoxine B1

Voedermiddelen

0,02

Aanvullende en volledige diervoeders

0,01

met uitzondering van:

 

—  mengvoeders voor melkkoeien en kalveren, melkschapen en lammeren, melkgeiten en geitenlammeren, biggen en jong pluimvee;

0,005

—  mengvoeders voor runderen (met uitzondering van melkkoeien en kalveren), schapen (met uitzondering van melkschapen en lammeren), geiten (met uitzondering van melkgeiten en geitenlammeren), varkens (met uitzondering van biggen) en pluimvee (met uitzondering van jonge dieren)

0,02

2.  Moederkoren (Claviceps purpurea)

Voedermiddelen en mengvoeders die ongemalen granen bevatten.

1 000



AFDELING III:  INHERENTE PLANTENTOXINEN

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.  Vrij gossypol

Voedermiddelen

20

met uitzondering van:

 

—  katoenzaad;

►M22  6 000  ◄

—  katoenzaadkoeken en katoenzaadmeel.

1 200

Volledige diervoeders

20

met uitzondering van:

 

—  volledige diervoeders voor runderen (met uitzondering van kalveren);

500

—  volledige diervoeders voor schapen (met uitzondering van lammeren) en geiten (met uitzondering van geitenlammeren);

300

—  volledige diervoeders voor pluimvee (met uitzondering van legkippen) en kalveren;

100

—  volledige diervoeders voor konijnen, lammeren, geitenlammeren en varkens (met uitzondering van biggen)

60

2.  Waterstofcyanide

Voedermiddelen

50

met uitzondering van:

 

—  lijnzaad;

250

—  lijnzaadkoeken;

350

—  maniokproducten en amandelkoeken.

100

Volledige diervoeders

50

met uitzondering van:

 

—  volledige diervoeders voor jonge kippen (< zes weken).

10

3.  Theobromine

Volledige diervoeders

300

met uitzondering van:

 

—  volledige diervoeders voor varkens;

200

—  volledige diervoeders voor honden, konijnen, paarden en pelsdieren.

50

4.  Vinylthiooxazolidon (5-vinyloxazolidine-2-thion)

Volledige diervoeders voor pluimvee

1 000

met uitzondering van:

 

—  volledige diervoeders voor legkippen.

500

▼M18

5.  Vluchtige mosterdolie (1)

Voedermiddelen

100

met uitzondering van:

 

—  Vlashuttentutzaad en daarvan afgeleide producten (2), producten afgeleid van mosterdzaad (2), koolzaad en daarvan afgeleide producten.

4 000

Volledige diervoeders

150

met uitzondering van:

 

—  volledige diervoeders voor runderen (met uitzondering van kalveren), schapen (met uitzondering van lammeren) en geiten (met uitzondering van geitenlammeren);

1 000

—  volledige diervoeders voor varkens (met uitzondering van biggen) en pluimvee.

500

▼M14

(1)   De maximumgehalten worden uitgedrukt als allylisothiocyanaat.

(2)   Op verzoek van de bevoegde autoriteiten moet de verantwoordelijke exploitant een analyse verrichten om aan te tonen dat het totale gehalte aan glucosinolaten lager is dan 30 mmol/kg. De referentieanalysemethode is EN-ISO 9167-1:1995.



AFDELING IV:  ORGANISCHE CHLOORVERBINDINGEN (MET UITZONDERING VAN DIOXINEN EN PCB’s)

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.  Aldrin (1)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,01  (2)

2.  Dieldrin (1)

met uitzondering van:

 

—  vetten en oliën;

0,1  (2)

—  mengvoeders voor vis.

0,02  (2)

3.  Chloorkamfeen (toxafeen) — som van de indicatorcongeneren CHB 26, 50 en 62 (3)

vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten

0,02

met uitzondering van

 

—  visolie.

0,2

Volledig visvoeder.

0,05

4.  Chloordaan (som van cis- en transisomeer en van oxychloordaan, uitgedrukt als chloordaan)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,02

met uitzondering van:

 

—  vetten en oliën.

0,05

5.  DDT (som van DDT-, DDD- (of TDE-) en DDE-isomeren, uitgedrukt als DDT)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,05

met uitzondering van:

 

—  vetten en oliën.

0,5

▼M19

6.  Endosulfan (som van alfa- en bèta-isomeer en van endosulfansulfaat, uitgedrukt als endosulfan)

Voedermiddelen en mengvoeders

met uitzondering van:

0,1

—  katoenzaad en producten afkomstig van de verwerking daarvan, met uitzondering van ruwe katoenzaadolie;

0,3

—  soja en producten afkomstig van de verwerking daarvan, met uitzondering van ruwe sojaolie;

0,5

—  ruwe plantaardige olie;

1,0

—  volledige voeding voor vissen, met uitzondering van zalmachtigen;

0,005

—  volledige voeding voor zalmachtigen.

0,05

▼M14

7.  Endrin (som van endrin en delta-keto-endrin, uitgedrukt als endrin)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,01

met uitzondering van:

 

—  vetten en oliën.

0,05

8.  Heptachloor (som van heptachloor en heptachloorepoxide, uitgedrukt als heptachloor)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,01

met uitzondering van:

 

—  vetten en oliën.

0,2

9.  Hexachloorbenzeen (HCB)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,01

met uitzondering van:

 

—  vetten en oliën.

0,2

10.  Hexachloorcyclohexaan (HCH)

—  alfa-isomeer

Voedermiddelen en mengvoeders

0,02

met uitzondering van:

 

—  vetten en oliën.

0,2

—  bèta-isomeer

Voedermiddelen

0,01

met uitzondering van:

 

—  vetten en oliën.

0,1

Mengvoeders

0,01

met uitzondering van:

 

—  mengvoeders voor melkkoeien.

0,005

—  gamma-isomeer

Voedermiddelen en mengvoeders

0,2

met uitzondering van:

 

—  vetten en oliën.

2,0

(1)   Afzonderlijk of gezamenlijk uitgedrukt als dieldrin.

(2)   Maximumgehalte voor aldrin en dieldrin, afzonderlijk of gezamenlijk, uitgedrukt als dieldrin.

(3)   

Nummeringssysteem overeenkomstig Parlar, voorafgegaan door „CHB” of „Parlar”:

CHB 26: 2-endo,3-exo,5-endo,6-exo,8,8,10,10-octachloorbornaan,

CHB 50: 2-endo,3-exo,5-endo,6-exo,8,8,9,10,10-nonachloorbornaan,

CHB 62: 2,2,5,5,8,9,9,10,10-nonachloorbornaan.

▼M15



AFDELING V:  DIOXINEN EN PCB’s

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in ng WHO-PCDD/F-TEQ/kg (ppt) (1) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

▼M16

1.  Dioxine [som van de polychloordibenzo-para-dioxinen (PCDD's) en de polychloordibenzofuranen (PCDF's), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF's (toxische-equivalentiefactoren van 2005) (2)]

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong

0,75

met uitzondering van:

 

—  plantaardige oliën en bijproducten daarvan

0,75

Voedermiddelen van minerale oorsprong

0,75

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

—  dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

1,50

—  andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

0,75

—  visolie

5,0

—  vis, andere waterdieren en afgeleide producten daarvan, met uitzondering van visolie en gehydrolyseerd viseiwit dat meer dan 20 % vet bevat (3) en schaaldiermeel

1,25

—  gehydrolyseerd viseiwit dat meer dan 20 % vet bevat; schaaldiermeel

1,75

►M22  Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen” (5)  ◄

0,75

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

1,0

Voormengsels

1,0

Mengvoeders

0,75

met uitzondering van:

 

—  mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

1,75

—  mengvoeders voor pelsdieren

▼M15

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in ng WHO-PCDD/F-PCB-TEQ/kg (ppt) (1) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

2.  Som van dioxinen en dioxineachtige pcb’s (som van de polychloordibenzo-para-dioxinen (PCCD’s), polychloordibenzofuranen (PCDF’s) en polychloorbifenylen (pcb’s), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF’s (toxische-equivalentiefactoren van 2005 (2))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong, met uitzondering van:

1,25

—  plantaardige oliën en bijproducten daarvan

1,5

Voedermiddelen van minerale oorsprong

1,0

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

—  dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

2,0

—  andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

1,25

—  visolie

20,0

—  vis, andere waterdieren en afgeleide producten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwit, gehydrolyseerd, dat meer dan 20 % vet bevat (3)

4,0

—  viseiwit, gehydroliseerd, dat meer dan 20 % vet bevat

9,0

►M22  Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen” (5)  ◄

1,5

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

1,5

Voormengsels

1,5

Mengvoeders, met uitzondering van:

1,5

—  mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

5,5

—  mengvoeders voor pelsdieren

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

►C1  Maximumgehalte in μg/kg (ppb) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 % (1)  ◄

3.  Niet-dioxineachtige pcb’s (som van PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 138, PCB 153 en PCB 180 (ICES — 6) (1))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong

10

Voedermiddelen van minerale oorsprong

10

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

—  dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

10

—  andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

10

—  visolie

175

—  vis, andere waterdieren en afgeleide producten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwit, gehydrolyseerd, dat meer dan 20 % vet bevat (4)

30

—  viseiwit, gehydroliseerd, dat meer dan 20 % vet bevat

50

►M22  Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen” (5)  ◄

10

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

10

Voormengsels

10

Mengvoeders, met uitzondering van:

10

—  mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

40

—  mengvoeders voor pelsdieren

(1)   Bovengrensconcentraties; bij de berekening van bovengrensconcentraties moet worden aangenomen dat de onder de bepaalbaarheidsgrens liggende waarden van de verschillende congeneren gelijk zijn aan de bepaalbaarheidsgrens.

(2)   

Tabel van toxische-equivalentiefactoren (TEF’s) voor dioxinen, furanen en dioxineachtige pcb’s:



Congeneer

TEF-waarde

Dibenzo-para-dioxinen („PCDD’s”) en dibenzo-para-furanen („PCDF’s”)

2,3,7,8-TCDD

1

1,2,3,7,8-PeCDD

1

1,2,3,4,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDD

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

0,01

OCDD

0,0003

 

 

2,3,7,8-TCDF

0,1

1,2,3,7,8-PeCDF

0,03

2,3,4,7,8-PeCDF

0,3

1,2,3,4,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDF

0,1

2,3,4,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

0,01

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

0,01

OCDF

0,0003

„Dioxineachtige” pcb’s: non-ortho-pcb’s + mono-ortho-pcb’s

 

 

Non-ortho-pcb’s

PCB 77

0,0001

PCB 81

0,0003

PCB 126

0,1

PCB 169

0,03

 

 

Mono-ortho-pcb’s

PCB 105

0,00003

PCB 114

0,00003

PCB 118

0,00003

PCB 123

0,00003

PCB 156

0,00003

PCB 157

0,00003

PCB 167

0,00003

PCB 189

0,00003

 

 

 

 

Gebruikte afkortingen: „T” = tetra; „Pe” = penta; „Hx” = hexa; „Hp” = hepta; „O” = octa; „CDD” = chloordibenzodioxine; „CDF” = chloordibenzofuran; „CB” = chloorbifenyl.

(3)   Voor verse vis en andere waterdieren die direct worden geleverd en zonder verdere verwerking voor de productie van voeders voor pelsdieren worden gebruikt, gelden de maximumgehalten niet, en voor verse vis die voor rechtstreekse voeding van gezelschapsdieren, dierentuindieren en circusdieren of als voedermiddel voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren wordt gebruikt, geldt een maximumgehalte van 3,5 ng WHO-PCDD/F-TEQ/kg product en 6,5 ng WHO-PCDD/F-PCB-TEQ/kg product en 20,0 ng WHO-PCDD/F-PCB-TEQ/kg product voor vislever. De producten of verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van deze dieren (pelsdieren, gezelschapsdieren, dierentuindieren en circusdieren), mogen niet in de voedselketen komen en het vervoederen ervan aan landbouwhuisdieren die voor de productie van levensmiddelen gehouden, vetgemest of gefokt worden, is verboden.

(4)   Voor verse vis en andere waterdieren die direct worden geleverd en zonder verdere verwerking voor de productie van voeders voor pelsdieren worden gebruikt, gelden de maximumgehalten niet, en voor verse vis die voor rechtstreekse voeding van gezelschapsdieren, dierentuindieren en circusdieren of als voedermiddel voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren wordt gebruikt, geldt een maximumgehalte van 75 μg/kg product en 200 μg/kg product voor vislever. De producten en verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van deze dieren (pelsdieren, gezelschapsdieren, dierentuindieren en circusdieren), mogen niet in de voedselketen komen en het vervoederen ervan aan landbouwhuisdieren die voor de productie van levensmiddelen gehouden, vetgemest of gefokt worden, is verboden.

(5)   Het maximumgehalte geldt ook voor de toevoegingsmiddelen voor diervoeders behorende tot de functionele groepen „Stoffen ter bestrijding van radionucleïde contaminatie” en „Stoffen ter vermindering van de verontreiniging van diervoeders met mycotoxinen” die ook behoren tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”.

▼M19



AFDELING VI:  SCHADELIJKE BOTANISCHE VERONTREINIGINGEN

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.  Onkruidzaden en niet gemalen of verpulverde vruchten die alkaloïden, glucosiden of andere giftige stoffen bevatten, afzonderlijk of tezamen, waaronder:

Voedermiddelen en mengvoeders

3 000

—  Datura sp

1 000

2.  Crotalaria spp.

Voedermiddelen en mengvoeders

100

3.  Zaden en doppen van Ricinus communis L., Croton tiglium L. en Abrus precatorius L., alsook de door verwerking ervan verkregen bijproducten (1), afzonderlijk of tezamen

Voedermiddelen en mengvoeders

10  (2)

4.  Beuk, ongeschilde zaden — Fagus sylvatica L.

Voedermiddelen en mengvoeders

Zaden en vruchten en de door verwerking ervan verkregen bijproducten mogen niet in diervoeders voorkomen tenzij als sporen die niet kwantitatief kunnen worden bepaald

5.  Purgeernoot — Jatropha curcas L.

Voedermiddelen en mengvoeders

Zaden en vruchten en de door verwerking ervan verkregen bijproducten mogen niet in diervoeders voorkomen tenzij als sporen die niet kwantitatief kunnen worden bepaald

6.  Zaden van Ambrosia spp.

Voedermiddelen (3)

met uitzondering van

50

—  gierst (granen van Panicum milaceum L.) en sorghum (granen of Sorghum bicolor (L.) Moench s.l.), niet rechtstreeks vervoederd aan dieren (3)

200

Mengvoeders die ongemalen granen en zaden bevatten

50

7.  Zaden van

— Indische bruine mosterd — Brassica juncea (L.) Czern. en Coss. ssp. integrifolia (West) Thell.

— Sareptamosterd — Brassica juncea (L.) Czern. en Coss. ssp. juncea

— Chinese mosterd — Brassica juncea (L.) Czern. en Coss. ssp. juncea var. lutea Batalin

— Zwarte mosterd — Brassica nigra (L.) Koch

— Ethiopische mosterd — Brassica carinata A. Braun

Voedermiddelen en mengvoeders

Zaden mogen niet in diervoeders voorkomen tenzij als sporen die niet kwantitatief kunnen worden bepaald

(1)   Voor zover door analytische microscopie bepaalbaar.

(2)   Omvat ook zaaddopfragmenten.

(3)   

Indien eenduidig bewijs wordt geleverd dat de granen en zaden bestemd zijn om te worden vermalen of verbrijzeld, is het niet nodig om partijen granen en zaden met een te hoog gehalte aan zaden van

Ambrosia

spp. daarvan te ontdoen voordat ze worden vermalen of verbrijzeld, op voorwaarde dat:

— de zending als geheel wordt vervoerd naar de vermalings- of verbrijzelingsinstallatie en deze installatie vooraf in kennis wordt gesteld van het feit dat de partij een hoog gehalte aan zaden van Ambrosia spp. bevat, zodat zij aanvullende preventieve maatregelen ter voorkoming van de verspreiding in het milieu kan nemen, en

— deugdelijk bewijs wordt verstrekt dat preventieve maatregelen worden genomen om te voorkomen dat zaden van Ambrosia spp. in het milieu worden verspreid tijdens het transport naar de vermalings- of verbrijzelingsinstallatie, en

— de bevoegde autoriteit instemt met het transport, na zich ervan te hebben vergewist dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

▼M14



AFDELING VII:  TOEGESTANE TOEVOEGINGSMIDDELEN IN NIET-DOELDIERVOEDERS ALS GEVOLG VAN NIET TE VOORKOMEN VERSLEPING

Coccidiostatica

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren (1)

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

▼M20

1.  Decoquinaat

Voedermiddelen

0,4

Mengvoeders voor:

 

—  legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken);

0,4

—  andere diersoorten.

1,2

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van decoquinaat niet toegestaan is

 (2)

▼M16

2.  Diclazuril

Voedermiddelen

0,01

Mengvoeders voor

 

—  legpluimvee en opfokleghennen (ouder dan 16 weken)

0,01

—  mestkonijnen en fokkonijnen gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van diclazuril verboden is (eindvoeders)

0,01

—  andere diersoorten dan opfokleghennen < 16 weken), mestkippen, parelhoenders en mestkalkoenen

0,03

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van diclazuril niet toegestaan is

 (2)

▼M14

3.  Halofuginone-hydrobro-mide

Voedermiddelen

0,03

Mengvoeders voor

 

—  legpluimvee, opfokleghennen en kalkoenen (> twaalf weken)

0,03

—  mestkippen en kalkoenen (< twaalf weken) gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van halofuginonehydrobromide verboden is (eindvoeders)

0,03

—  andere diersoorten

0,09

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van halofuginonehydrobromide niet toegestaan is

 (2)

▼M16

4.  Lasalocide A natrium

Voedermiddelen

1,25

Mengvoeders voor

 

—  honden, kalveren, konijnen, paardachtigen, melkvee, legpluimvee, kalkoenen (ouder dan 16 weken) en opfokleghennen (ouder dan 16 weken)

1,25

—  mestkippen, opfokleghennen (tot 16 weken) en kalkoenen (tot 16 weken) gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van lasalocide A natrium verboden is (eindvoeders)

1,25

—  fazanten, parelhoenders, kwartels en patrijzen (met uitzondering van legvogels) voor de periode vóór de slacht, waarin het gebruik van lasalocide A natrium verboden is (eindvoeders)

1,25

—  andere diersoorten

3,75

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van lasalocide A natrium niet toegestaan is

 (2)

▼M14

5.  Maduramicineammonium alfa

Voedermiddelen

0,05

Mengvoeders voor

 

—  paardachtigen, konijnen, kalkoenen (> 16 weken), legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken)

0,05

—  mestkippen en kalkoenen (< 16 weken) gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van maduramicineammonium alfa verboden is (eindvoeders)

0,05

—  andere diersoorten

0,15

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van maduramicineammonium alfa niet toegestaan is

 (2)

6.  Monensin-natrium

Voedermiddelen

1,25

Mengvoeders voor

 

—  paardachtigen, honden, kleine herkauwers (schapen en geiten), eenden, runderen, melkvee, legpluimvee, opfokleghennen (> 16 weken) en kalkoenen (> 16 weken)

1,25

—  mestkippen, opfokleghennen (< 16 weken) en kalkoenen (< 16 weken) gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van monensin-natrium verboden is (eindvoeders)

1,25

—  andere diersoorten

3,75

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van monensin-natrium niet toegestaan is

 (2)

7.  Narasin

Voedermiddelen

0,7

Mengvoeders voor

 

—  kalkoenen, konijnen, paardachtigen, legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken)

0,7

—  andere diersoorten

2,1

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van narasin niet toegestaan is

 (2)

8.  Nicarbazine

Voedermiddelen

1,25

Mengvoeders voor

 

—  paardachtigen, legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken)

1,25

—  andere diersoorten

3,75

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van nicarbazine (in combinatie met narasin) niet toegestaan is

 (2)

9.  Robenidinehydrochloride

Voedermiddelen

0,7

Mengvoeders voor

 

—  legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken)

0,7

—  mestkippen, mestkonijnen, fokkonijnen en kalkoenen gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van robenidinehydrochloride verboden is (eindvoeders)

0,7

—  andere diersoorten

2,1

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van robenidinehydrochloride niet toegestaan is

 (2)

10.  Salinomy-cinenatrium

Voedermiddelen

0,7

Mengvoeders voor

 

—  paardachtigen, kalkoenen, legpluimvee en opfokleghennen (> twaalf weken)

0,7

—  mestkippen, opfokleghennen (< twaalf weken) en mestkonijnen gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van salinomycine-natrium verboden is (eindvoeders)

0,7

—  andere diersoorten

2,1

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van salinomycine-natrium niet toegestaan is

 (2)

11.  Semdura-micine-natrium

Voedermiddelen

0,25

Mengvoeders voor

 

—  legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken)

0,25

—  mestkippen gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van semduramicine-natrium verboden is (eindvoeders)

0,25

—  andere diersoorten

0,75

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van semduramicine-natrium niet toegestaan is

 (2)

(1)   Onverminderd de toegestane gehalten in het kader van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29).

(2)   Het maximumgehalte van de stof in het voormengsel is de concentratie waarbij, indien het voormengsel volgens de gebruiksaanwijzing wordt gebruikt, het gehalte van de stof in het diervoeder niet meer dan 50 % van het voor dat diervoeder geldende maximumgehalte is.

▼M15




BIJLAGE II



ACTIEDREMPELS VOOR HET VERRICHTEN VAN ONDERZOEK DOOR DE LIDSTATEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LID 2

AFDELING: DIOXINEN EN PCB’s

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Actiedrempel in ng WHO-PCDD/F TEQ/kg (ppt) (2) voor een diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Opmerkingen en aanvullende informatie (bv. de aard van de te verrichten onderzoeken)

▼M16

1.  Dioxinen [som van de polychloordibenzo-para-dioxinen (PCDD's) en de polychloordibenzofuranen (PCDF's), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF's (toxische-equivalentiefactoren van 2005) (1)]

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong

0,5

 (3)

met uitzondering van:

 

 

—  plantaardige oliën en bijproducten daarvan

0,5

 (3)

Voedermiddelen van minerale oorsprong

0,5

 (3)

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

 

—  dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

0,75

 (3)

—  andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

0,5

 (3)

—  visolie

4,0

 (4)

—  vis, andere waterdieren en afgeleide producten daarvan, met uitzondering van visolie, en gehydrolyseerd viseiwit dat meer dan 20 % vet bevat en schaaldiermeel

0,75

 (4)

—  gehydrolyseerd viseiwit dat meer dan 20 % vet bevat; schaaldiermeel

1,25

 (4)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

0,5

 (3)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

0,5

 (3)

Voormengsels

0,5

 (3)

Mengvoeders, met uitzondering van:

0,5

 (3)

—  mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

1,25

 (4)

—  mengvoeders voor pelsdieren

 

▼M15

2.  Dioxineachtige pcb’s (som van de polychloorbifenylen (pcb’s)), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF’s (toxische-equivalentiefactoren van 2005 (1))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong, met uitzondering van:

0,35

 (3)

—  plantaardige oliën en bijproducten daarvan

0,5

 (3)

Voedermiddelen van minerale oorsprong

0,35

 (3)

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

 

—  dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

0,75

 (3)

—  andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

0,35

 (3)

—  visolie

11,0

 (4)

—  vis, andere waterdieren en afgeleide producten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwit, gehydrolyseerd, dat meer dan 20 % vet bevat (3)

2,0

 (4)

—  viseiwit, gehydroliseerd, dat meer dan 20 % vet bevat

5,0

 (4)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

0,5

 (3)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

0,35

 (3)

Voormengsels

0,35

 (3)

Mengvoeders, met uitzondering van:

0,5

 (3)

—  mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

2,5

 (4)

—  mengvoeders voor pelsdieren

 

(1)   

Tabel van toxische-equivalentiefactoren (TEF’s) voor dioxinen, furanen en dioxineachtige pcb’s:



Congeneer

TEF-waarde

Dibenzo-para-dioxinen („PCDD’s”) en dibenzo-para-furanen („PCDF’s”)

2,3,7,8-TCDD

1

1,2,3,7,8-PeCDD

1

1,2,3,4,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDD

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

0,01

OCDD

0,0003

 

 

2,3,7,8-TCDF

0,1

1,2,3,7,8-PeCDF

0,03

2,3,4,7,8-PeCDF

0,3

1,2,3,4,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDF

0,1

2,3,4,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

0,01

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

0,01

OCDF

0,0003

„Dioxineachtige” pcb’s: non-ortho-pcb’s + mono-ortho-pcb’s

 

 

Non-ortho-pcb’s

PCB 77

0,0001

PCB 81

0,0003

PCB 126

0,1

PCB 169

0,03

 

 

Mono-ortho-pcb’s

PCB 105

0,00003

PCB 114

0,00003

PCB 118

0,00003

PCB 123

0,00003

PCB 156

0,00003

PCB 157

0,00003

PCB 167

0,00003

PCB 189

0,00003

 

 

 

 

Gebruikte afkortingen: „T” = tetra; „Pe” = penta; „Hx” = hexa; „Hp” = hepta; „O” = octa; „CDD” = chloordibenzodioxine; „CDF” = chloordibenzofuran; „CB” = chloorbifenyl.

(2)   Bovengrensconcentraties; bij de berekening van bovengrensconcentraties moet worden aangenomen dat de onder de bepaalbaarheidsgrens liggende waarden van de verschillende congeneren gelijk zijn aan de bepaalbaarheidsgrens.

(3)   Vaststelling van bron van contaminatie. Neem na vaststelling van de bron van contaminatie zo mogelijk passende maatregelen om deze te reduceren of te elimineren.

(4)   In veel gevallen is het wellicht niet nodig een onderzoek naar de bron van de contaminatie te verrichten, aangezien het achtergrondniveau in sommige gebieden dicht bij of boven de actiedrempel ligt. Indien de actiedrempel echter wordt overschreden, moeten alle gegevens, zoals bemonsteringsperiode, geografische herkomst, vissoort enz., worden geregistreerd met het oog op toekomstige maatregelen voor de aanpak van de aanwezigheid van dioxinen en dioxineachtige verbindingen in deze diervoeders.

▼B




BIJLAGE III



CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 1999/29/EG

Deze richtlijn

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, onder a)

Artikel 2, onder a)

Artikel 2, onder b)

Artikel 2, onder b)

Artikel 2, onder c)

Artikel 2, onder g)

Artikel 2, onder d)

Artikel 2, onder f)

Artikel 2, onder e)

Artikel 2, onder e)

Artikel 2, onder f)

Artikel 2, onder i)

Artikel 2, onder g)

Artikel 2, onder j)

Artikel 2, onder h)

Artikel 2, onder c)

Artikel 2, onder d)

Artikel 2, onder h)

Artikel 2, onder k)

Artikel 2, onder l)

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 5

Artikel 8

Artikel 6

Artikel 9

Artikel 7

Artikel 10

Artikel 8

Artikel 11

Artikel 9

Artikel 12

Artikel 10

Artikel 13

Artikel 11

Artikel 14

Artikel 12

Artikel 15

Artikel 13

Artikel 16

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 17

Artikel 16

Artikel 18

Artikel 17

Bijlage I

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage IV

Bijlage II



( 1 ) PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2205/2001 van de Commissie (PB L 297 van 15.11.2001, blz. 3).

( 2 ) PB L 86 van 6.4.1979, blz. 30. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 63 van 6.3.2002, blz. 23).

( 3 ) PB L 340 van 9.12.1976, blz. 26. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/57/EG van de Commissie (PB L 244 van 29.9.2000, blz. 76).

( 4 ) PB L 221 van 7.8.1986, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/23/EG van de Commissie (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 13).

( 5 ) PB L 221 van 7.8.1986, blz. 43. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/23/EG.

( 6 ) PB L 350 van 14.12.1990, blz. 71. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/23/EG.

( 7 ) PB L 213 van 21.7.1982, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/20/EG (PB L 80 van 25.3.1999, blz. 20).

( 8 ) PB L 237 van 22.9.1993, blz. 23. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/29/EG (PB L 115 van 4.5.1999, blz. 32).

( 9 ) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

( 10 ►M10  PB L 170 van 3.8.1970, blz. 1. ◄

( 11 ) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

Bron: EUR-Lex
Zearalenon

Zearalenon (Zea)

↪ Bekijk analyse
Zware metalen

Een te veel aan zware metalen kan schadelijk zijn voor de gezondheid en moet voorkomen worden. Om te waarborgen dat een product voldoet aan de gestelde normen in EG 1881/2016 en EU 2002/32 dienen deze parameters te worden geanalyseerd.

↪ Bekijk analyse
divider

Uw kwaliteit is onze zorg

Wij komen graag bij u op bezoek om uw kwaliteitsvraagstukken te bespreken.

Adviesgesprek plannen
whitepaper

Blijft u graag op de hoogte van ontwikkelingen?

In onze gratis whitepapers delen wij informatie over de nieuwe regels van de wetgeving, innovaties binnen analyses en vertellen wij over de digitalisering van de markt.

symbol symbol

Openingstijden Nutrilab rondom feestdagen 2022

In verband met de aankomende feestdagen, willen wij u er op attenderen dat we enkele dagen gesloten ...

LEES ARTIKEL Pijltje

Uitsluitsel over mosterd-allergenen in tarwe

Naar aanleiding van vragen uit de markt heeft Nutrilab de LC-MSMS-methode voor allergenen-screening ...

LEES ARTIKEL Pijltje